Alfie

kruising groot, mannelijk, 10 Jul 2026

Over mij

Hoi! Ik ben Alfie, vijf maanden jong, supersnel, megaslank en officieel gecertificeerd als Windhond in Opleiding. En ja… ik heb al een heel avontuur achter de rug. Ik ben namelijk bij DOA terechtgekomen omdat mijn vorige eigenaar niet zo goed voor mij zorgde. Ik weet niet precies wat er misging. Ik ben tenslotte een pup, geen detective maar ik weet wel dat ik samen met mijn broertjes en zusjes ineens in een veilige plek belandde waar iedereen heel lief was. En toen… POEF! kwam er een pleeggezin dat zei: Kom maar mee, kleine spriet, wij gaan jou de wereld laten zien. Nou, dat liet ik me geen twee keer zeggen. Ik ben tenslotte een windhond: wij zijn geboren om te rennen, ontdekken en overal onze lange poten tussen te steken. Maar eerlijk is eerlijk… ik heb ook dingen meegemaakt die ik nog een beetje spannend vind. Als er ineens een hard geluid komt — BAM! — dan schrik ik zo hard dat mijn poten bijna in de knoop raken. Dan sprint ik meteen naar mijn pleeggezin voor steun. En zodra we samen hebben gekeken wat er aan de hand was (“Oh… het was maar een deur die dichtviel… oeps”), ben ik weer mijn vrolijke, springerige zelf. Dan ga ik spelen met mijn huisgenootjes. De twee oudere honden zeggen altijd dat ik rustig moet doen. Rustig. Rustig?! Ik ben vijf maanden oud en heb poten langer dan mijn toekomstplannen. Rustig is voor later. Maar ik doe mijn best hoor. Soms. Een beetje. Gelukkig heb ik mijn favo kong en mijn flostouw. Als ik die pak, ben ik helemaal in mijn element. En als er mensen op visite komen? Nou, dan ben ik helemaal blij. Iedereen is leuk. Echt iedereen. Ook mensen op straat die geen idee hebben wie ik ben. Ik begroet ze alsof ze mijn verjaardag komen vieren. En na al dat gerace en gespring kruip ik graag bij je op de bank voor een dutje. Want ja, zelfs een windhond‑raket moet opladen. Oh en belangrijk: ik ben zindelijk! Tenminste… ik ben een pup, dus in een nieuwe omgeving moet ik het even opnieuw leren. Maar ik weet hoe het werkt, hoor. Ik ben slim. En snel. En soms een beetje wiebelig. Maar vooral heel lief.

Soort baasje

Oké, luister… ik moet iets héél belangrijks vertellen. Ik ben namelijk op zoek naar een baasje. Een lief baasje. Een gezellig baasje. Maar vooral een baasje dat tijd heeft. En aandacht. En misschien ook een beetje geduld voor mijn wiebelige poten en mijn turbo‑energie. Want ja… ik ben een pup. En met een pup is het aanpoten. Dat zeggen ze tenminste. Ik dacht dat het gewoon “leven” heette, maar blijkbaar heet het “aanpoten” als je mens bent en achter mij aan moet rennen omdat ik ineens besluit dat een grasspriet mijn levensmissie is. Maar het begin is superbelangrijk, zeggen ze. Daar leg je de basis. De regels. De “Alfie, niet dat doen!” De “Alfie, wáárom doe je dat?” En de “Alfie, hoe ben je daar überhaupt gekomen?” Mijn nieuwe baasjes moeten dat wel weten. Je hoeft geen professor‑in‑pup‑opvoeding te zijn hoor. Je hoeft niet eens ervaring te hebben. Als je maar tijd, aandacht en zin hebt om met mij te oefenen. En als je een beetje kunt lachen om mijn rare acties, dan ben je al bijna perfect. Oh, en ik wil héél graag naar een hondenschool. Echt waar. Ik wil leren hoe je netjes zit, hoe je niet struikelt over je eigen poten, en hoe je niet denkt dat elke andere hond een sprintwedstrijd wil starten. Dus dan kunnen we mooi samengaan. Jij met je koffie in de hand, ik met mijn lange benen die proberen niet tegen iedereen aan te zwiepen. Ik beloof dat ik mijn best doe. Echt. Maar ik ben nog klein. En soms vergeet ik dat ik een windhond ben en geen elastiekje dat alle kanten op schiet.

Alfie's paspoort

  • Ras kruising groot
  • Geboortedatum 10 juli, 2026
  • Geslacht mannelijk
  • Gecastreerd/gesteriliseerd Nee
  • Schofthoogte (cm) 50
  • Adoptiekosten € 375
  • Diernummer 60977

Denk je dat wij matchen? Leuk, laten we elkaar een keer ontmoeten!

Foto's

Alfie

Wat ik nog meer over mezelf kan vertellen

Ja, Ik woon nu samen met andere honden. En laat me je vertellen: DIT IS GEWELDIG. Je hebt altijd iemand om mee te spelen. Altijd iemand om achteraan te rennen. Altijd iemand om te vragen: “Hé, wil je mijn flostouw lenen? Ik ben heel goed in trekken, hoor! Maar ja… die andere honden zijn soms een beetje… hoe zeg je dat… volwassen. En volwassen honden hebben iets dat rust heet. Blijkbaar is dat een ding. Dus dan lig ik klaar in startpositie, staart wiebelend, poten gespannen, helemaal klaar voor een sprint… En dan zeggen ze: Alfie. Nee. Nu niet. We liggen. En ik snap dat wel hoor. Een beetje. Oké, eigenlijk snap ik het niet. Maar ik doe mijn best. Echt waar. Alleen soms is het héél moeilijk om niet te denken dat het ALTIJD speeltijd is. Gelukkig helpen ze me. Als ik te druk ben, krijg ik zo’n “gast, chill” blik. En dan ga ik maar even iets anders doen. Zoals mijn kong zoeken. Of mijn flostouw. Of een grasspriet die ik nog niet eerder heb ontmoet. Als mijn nieuwe baasjes al een hond hebben, dan is het slim om even te kijken of we een match zijn. Je wilt natuurlijk niet ergens gaan wonen waar de andere hond denkt: Wie is deze lange, wiebelende spaghetti‑pup en waarom beweegt hij zo snel? Maar als er geen andere hond is? Geen probleem! Dan gaan we gewoon naar buiten om daar honden te zoeken. Ik ben namelijk dol op iedereen. Echt iedereen. Als het vier poten heeft, een staart, of zelfs maar een beetje lijkt op een hond, dan ben ik al enthousiast.
Ja, aanleren. Oké, ik moet iets toegeven. Iets groots. Iets belangrijks. Iets… eh… best gênants. Ik heb nog nooit een kat gezien. Niet in het echt. Niet van dichtbij. Niet zo dat je hun snorharen kunt tellen. Dus ik weet écht niet wat ik ermee moet. Moet je ermee spelen? Moet je erachteraan rennen? Moet je ze begroeten alsof ze een nieuwe hondenvriend zijn? Ik heb geen idee. En dat is best ingewikkeld voor een windhond, want mijn poten zeggen automatisch: “REN ERACHTERAAAAAN!” Maar mijn hoofd zegt: “Wacht… misschien vinden katten dat helemaal niet leuk?” Misschien, als mijn nieuwe baasjes een kat hebben die honden gewend is, kan ik het leren. Dan kan de kat mij uitleggen hoe katten‑regels werken. Zoals: “Niet rennen als ik loop.” “Niet snuffelen aan mijn staart zonder toestemming.” “Niet denken dat ik een speeltje ben.” Maar als de kat geen honden gewend is… Oei. Dan moeten er echt duidelijke regels zijn. Want anders heeft die kat geen leuk leven. En dat wil ik natuurlijk niet. Ik wil dat iedereen blij is. Ook katten. Ook katten die mij misschien een beetje vreemd vinden omdat ik lijk op een wandelende antenne met poten. En als mijn nieuwe baasjes vragen hebben over hoe dat moet met katten? Dan staan ze bij DOA natuurlijk klaar om alles uit te leggen. Die weten precies hoe je voorkomt dat een kat denkt dat ik een soort wiebelende, hyperactieve stofzuiger ben.
Kinderen die honden gewend zijn. Oké, ik moet iets bekennen. Iets groots. Iets met veel enthousiasme. Heel veel enthousiasme. Ik vind kinderen GEWELDIG. Echt, ik zie een kind en mijn hele lijf zegt: “JOEPIE! SPELEN! KNUFFELEN! IK BEN JE NIEUWE BESTE VRIEND!” Maar… eh… soms vind ik ze misschien een beetje te leuk. Dan kan ik mijn enthousiasme niet helemaal onder controle houden. En dan zit een ongelukje in een klein hoekje. Niet expres hoor! Maar als je lange windhondenpoten hebt die nog niet helemaal weten hoe remmen werkt… ja, dan kan er wel eens iemand omvallen. Of ik. Of allebei. Gelukkig kunnen mijn nieuwe baasjes mij hierbij helpen. Als zij mij leren hoe ik rustig kan blijven of in ieder geval rustiger dan komt het helemaal goed. Ik ben slim. Ik leer snel. Ik vergeet alleen soms dat ik een pup ben en geen wervelwind met een staart. Maar het is wel belangrijk dat mijn nieuwe baasjes er goed over nadenken. Want een pup heeft veel aandacht nodig. En een kindje ook. En je moet natuurlijk wel genoeg aandacht kunnen geven aan allebei. Want anders wordt het voor niemand leuk. En ik wil dat iedereen blij is. Kinderen, volwassenen, honden, katten (als ik ooit leer wat dat zijn)… iedereen. En als het nou toch niet handig blijkt? Helemaal niet erg. Eerlijkheid werkt het langst. Dan zoeken we gewoon verder naar een plek waar ik wél perfect pas en waar ik mijn enthousiasme veilig kan laten rond stuiteren.
Nog leren. Oké, even serieus. Nou ja… zo serieus als een vijf maanden oude windhond kan zijn. Ik kan best even alleen zijn. Echt waar! Bij mijn pleeggezin kan ik netjes een uurtje alleen blijven in de bench. Dan liggen de andere hondjes ook te dutten, en dan denk ik: “Oké, dit is chill. Ik doe gewoon mee.” En dan ben ik heel braaf. Echt een voorbeeld pup. Nou ja… meestal. Maar in een nieuw huis, met nieuwe baasjes, nieuwe geluiden, nieuwe geuren, nieuwe banken tja, dan moet ik natuurlijk weer even wennen. Want stel je voor dat de koelkast daar anders klinkt. Of dat de buren een deur hebben die BOEM zegt. Of dat de stofzuiger ineens een andere persoonlijkheid heeft. Dan moet ik dat allemaal opnieuw leren. Rustig opbouwen. Stapje voor stapje. Net zoals ik dat bij mijn pleeggezin heb gedaan. En als je dat doet, komt het vast weer helemaal goed. Ik ben slim, ik ben leergierig, en ik ben dol op complimentjes dus dat helpt enorm. Dus ja, ik kan alleen zijn. Maar ik moet wel even de tijd krijgen om te snappen dat mijn nieuwe huis ook veilig is. En dat jullie altijd terugkomen. En dat ik niet hoef te denken dat jullie verdwenen zijn naar een parallel universum waar geen flostouwen bestaan.
Rustige wijk. Oké, even iets over mijn woonsituatie. Ik woon nu in een huisje met een tuin. Een echte tuin! Met gras! Met plek om rondjes te rennen alsof ik meedoe aan een windhonden‑Grand Prix. En het beste: er zijn geen trappen. Geen gekke bochten. Geen hoge treden. Geen lift die ping! Zegt. Want… ik heb dat allemaal nog nooit gezien. Echt niet. Ik weet niet eens hoe een lift eruitziet. Misschien is het een soort magische doos die je naar boven brengt? Misschien is het een soort hondenhuis dat beweegt? Misschien is het gewoon een hele saaie kamer die op en neer gaat? Ik heb geen idee. Maar ik ben niet kieskeurig hoor. Ik hoef niet per se een benedenwoning. Ik hoef niet per se een tuin. Het zou natuurlijk wel fijn zijn want rennen is mijn hobby, mijn talent en mijn levensdoel. Maar ik ben flexibel. Nou ja… mentaal flexibel. Mijn poten zijn soms nog in de knoop, maar dat komt wel goed. Alleen… omdat ik best groot ga worden, is elke dag een trap op en af niet zo fijn voor mijn lijf. Mijn poten zijn lang, mijn lijf is slungelig, en mijn remsysteem is nog in ontwikkeling. Dus als er trappen zijn, dan moet dat wel rustig opgebouwd worden. En als er een lift is? Top! Dan moet ik die nog even leren. Maar dat komt goed. Ik ben slim. En nieuwsgierig. En ik hou van nieuwe dingen zolang ze niet BOEM doen. Dus of het nou een benedenwoning is, een appartement, een huis met tuin of een huis zonder tuin… Als mijn nieuwe baasjes mij helpen, dan komt het helemaal goed. Ik leer snel. En ik ben altijd in voor een nieuw avontuur zelfs als dat avontuur “hoe werkt een lift?” heet.
Ja, Ik vind andere honden super leuk. Echt, als ik er eentje zie, dan begint mijn hele lijf te wiebelen. Mijn staart gaat zwiepen, mijn poten gaan trillen, mijn hersenen roepen: “WE GAAN SPELEN! WE GAAN SPELEN! WE GAAN SPELEN!” Maar… eh… ik moet nog wel leren hoe je met bepaalde honden speelt. Want blijkbaar is het niet de bedoeling dat je een mini hondje begroet door er enthousiast bovenop te springen alsof je een vliegende windhond‑pannenkoek bent. En sommige honden vinden het helemaal niet leuk als ik meteen in sprintmodus ga. Die willen eerst snuffelen. Of rustig kijken. Of gewoon helemaal niet spelen. En dat moet ik nog leren. Ik bedoel het nooit verkeerd hoor. Ik ben gewoon blij. Heel blij. Altijd blij. Maar soms moet ik even geholpen worden om te snappen dat niet elke hond staat te wachten op een Alfie‑orkaan. Dus mijn nieuwe baasjes moeten me daar een beetje in begeleiden. Leren wanneer ik rustig moet blijven. Wanneer ik even moet wachten. Wanneer ik niet moet denken dat elke hond een trampoline is. Maar als ik het eenmaal snap? Dan ben ik de leukste speelmaat die je kunt wensen. Snel, vrolijk, vriendelijk, en altijd klaar voor een potje rennen. Maar dan op een manier die ook leuk is voor de andere hond.
Loopt netjes mee. Ik kan heel netjes aan de riem lopen. Echt waar! Mijn pleeggezin zegt dat ik dat supergoed doe. Ik loop mee, ik wiebel niet alle kanten op, ik houd mijn poten onder controle (meestal), en ik doe mijn best om niet te denken dat de riem een soort slinger is waar je mee kunt zwaaien. Maar… Ja, er is een maar. Een kleine maar. Een pup‑maar. Als er een ander hondje voorbijkomt? Of een geur die ik nog nooit eerder heb geroken? Of een blaadje dat op een spannende manier beweegt? Of een mens die eruitziet alsof hij misschien een koekje heeft? Dan moet ik daar natuurlijk naartoe. Dat is logisch. Dat is pup‑logica. Dat is windhonden‑wetenschap. Mijn neus zegt: “GA!” Mijn poten zeggen: “REN!” En mijn hersenen zeggen: “MISSIE BELANGRIJK!” Maar als dat allemaal niet gebeurt, dan loop ik gewoon heel netjes mee. Echt waar. Dan ben ik een voorbeeldige pup die precies weet hoe het hoort. Dan ben ik bijna volwassen. Nou ja… windhond‑volwassen. Dat is anders dan echt volwassen, maar het telt. Dus ja, ik kan goed aan de riem lopen. Maar soms moet ik even iets checken. Want stel je voor dat ik een belangrijke geur mis. Of een nieuwe hondenvriend. Of een grasspriet die mijn naam fluistert.
Nee, Ik wil loslopen. Echt waar. Het lijkt me GEWELDIG. Stel je voor: De wind door mijn haren. Mijn oren die flapperen alsof ik ga opstijgen. Mijn poten die zo hard gaan dat ik bijna vlieg. Dat gevoel dat je denkt: “WOW, IK BEN SNELLER DAN MIJN EIGEN SCHADUW!” Maar… eh… er is één klein probleempje. Ik weet nog niet zo goed hoe dat moet. Ik weet niet wanneer ik moet terugkomen. Ik weet niet wanneer ik moet stoppen. Ik weet niet wanneer ik moet luisteren. Ik weet eigenlijk alleen: “REN!” Dus ja, daar moet nog even op geoefend worden. Want nu, als ik los zou lopen, zou ik waarschijnlijk denken: “JOEPIE, VRIJHEID!” En dan zou ik gaan. Gewoon gaan. Zonder plan. Zonder rem. Zonder idee waar mijn baasje staat. Maar als mijn nieuwe baasjes met mij gaan oefenen stapje voor stapje, op veilige plekken, met duidelijke afspraken dan komt het helemaal goed. Dan leer ik wanneer ik moet terugkomen. Wanneer ik moet wachten. Wanneer ik niet moet denken dat elke vogel een racepartner is. En als ik dat allemaal kan? Dan word ik de gelukkigste windhond van de wereld. Want loslopen is voor mij alsof je een superheld bent. Alleen dan met lange poten en een flostouw in je mond.

Fysieke aandachtspunten

Oké, nu gaan we het hebben over iets héél belangrijks. Iets dat mijn hele dag bepaalt. Iets dat mijn humeur beïnvloedt. Iets dat ik héél serieus neem. Eten. Ik ben niet per se kieskeurig hoor. Ik eet graag. Ik vind eten leuk. Ik vind eten gezellig. Ik vind eten eigenlijk altijd een goed idee. Maar… mijn buik is een beetje een diva. Een gevoelige diva. Zo eentje die zegt: “Hmm… deze brokjes? Nee hoor, daar doe ik niet aan.” Of: “Wacht even, wat is dit voor kruimel? Ik protesteer!” Daarom krijg ik nu Intestinal‑brokjes, speciaal voor gevoelige maag en darmen. En laat me je vertellen: IK VIND ZE HEERLIJK. Mijn buik is blij. Mijn darmen zijn blij. Mijn pleeggezin is blij. En ik ben helemaal tevreden. Misschien kan ik ooit weer gewone brokjes eten. Misschien ook niet. Dat zien we vanzelf wel. Ik ben nog jong, mijn lijf is nog in ontwikkeling, en mijn buik moet gewoon krijgen wat hij fijn vindt. En op dit moment zegt mijn buik: “Geef me die Intestinal‑brokjes, dank u vriendelijk.” Dus ja, ik ben niet kieskeurig. Maar mijn maag heeft wél een mening. En die mening moet je serieus nemen anders krijg je een windhond die denkt dat hij een buikdans‑workshop moet doen.

Aandachtspunten gedrag

Oké, dit is een beetje gek. Maar ik heb gehoord dat ik een speciaal ras ben. Een windhond. Een echte! Met lange poten, een slank lijf en een sprintknop die soms vanzelf aangaat. Zelf wist ik dat niet hoor. Ik dacht gewoon dat ik gebouwd was als een soort wandelende spaghetti‑spriet. Maar blijkbaar horen windhonden bij een bijzondere groep honden. En daarom is het slim dat mijn nieuwe baasjes zich goed inlezen voordat ze mij adopteren. Want windhonden hebben een paar speciale dingetjes. Zoals dat we zichtjagers zijn. Dat betekent dat als we iets zien bewegen een vogel, een blaadje, een schaduw, een denkbeeldige vlieg onze hersenen soms zeggen: “GA ERACHTERAAAAAN!” En dan doen onze oren het even niet meer. Dan staan ze wel op mijn kop, maar ze luisteren niet. Dan ben ik in sprintmodus. Turbo‑stand. Windhond‑activatie. Mijn pleeggezin ziet nu al dat ik vogels heel interessant vind. Ik ga er nog niet achteraan, hoor! Maar ik kijk wel. Heel aandachtig. Alsof ik een vogel‑expert ben. Daarom doet mijn pleeggezin nu al hun best om mij te leren dat vogels geen race‑partners zijn. En dat is heel belangrijk voor later. Dus ja, ik ben een speciaal ras. Niet omdat ik dat zelf vind ik vind mezelf gewoon Alfie, de wiebelige pup met lange poten maar omdat windhonden een paar dingen hebben die handig zijn om te weten voor de toekomst. Als mijn nieuwe baasjes dat snappen, en zich goed voorbereiden, dan worden we samen een topteam. Een superduo. Een mens‑windhond‑combinatie die de wereld aankan.

Denk je dat wij matchen? Leuk, laten we elkaar een keer ontmoeten!