Ja, Ik woon nu samen met andere honden. En laat me je vertellen: DIT IS GEWELDIG. Je hebt altijd iemand om mee te spelen. Altijd iemand om achteraan te rennen. Altijd iemand om te vragen: “Hé, wil je mijn flostouw lenen? Ik ben heel goed in trekken, hoor! Maar ja… die andere honden zijn soms een beetje… hoe zeg je dat… volwassen. En volwassen honden hebben iets dat rust heet. Blijkbaar is dat een ding. Dus dan lig ik klaar in startpositie, staart wiebelend, poten gespannen, helemaal klaar voor een sprint… En dan zeggen ze: Alfie. Nee. Nu niet. We liggen. En ik snap dat wel hoor. Een beetje. Oké, eigenlijk snap ik het niet. Maar ik doe mijn best. Echt waar. Alleen soms is het héél moeilijk om niet te denken dat het ALTIJD speeltijd is. Gelukkig helpen ze me. Als ik te druk ben, krijg ik zo’n “gast, chill” blik. En dan ga ik maar even iets anders doen. Zoals mijn kong zoeken. Of mijn flostouw. Of een grasspriet die ik nog niet eerder heb ontmoet. Als mijn nieuwe baasjes al een hond hebben, dan is het slim om even te kijken of we een match zijn. Je wilt natuurlijk niet ergens gaan wonen waar de andere hond denkt: Wie is deze lange, wiebelende spaghetti‑pup en waarom beweegt hij zo snel? Maar als er geen andere hond is? Geen probleem! Dan gaan we gewoon naar buiten om daar honden te zoeken. Ik ben namelijk dol op iedereen. Echt iedereen. Als het vier poten heeft, een staart, of zelfs maar een beetje lijkt op een hond, dan ben ik al enthousiast.
Ja, aanleren. Oké, ik moet iets toegeven. Iets groots. Iets belangrijks. Iets… eh… best gênants. Ik heb nog nooit een kat gezien. Niet in het echt. Niet van dichtbij. Niet zo dat je hun snorharen kunt tellen. Dus ik weet écht niet wat ik ermee moet. Moet je ermee spelen? Moet je erachteraan rennen? Moet je ze begroeten alsof ze een nieuwe hondenvriend zijn? Ik heb geen idee. En dat is best ingewikkeld voor een windhond, want mijn poten zeggen automatisch: “REN ERACHTERAAAAAN!” Maar mijn hoofd zegt: “Wacht… misschien vinden katten dat helemaal niet leuk?” Misschien, als mijn nieuwe baasjes een kat hebben die honden gewend is, kan ik het leren. Dan kan de kat mij uitleggen hoe katten‑regels werken. Zoals: “Niet rennen als ik loop.” “Niet snuffelen aan mijn staart zonder toestemming.” “Niet denken dat ik een speeltje ben.” Maar als de kat geen honden gewend is… Oei. Dan moeten er echt duidelijke regels zijn. Want anders heeft die kat geen leuk leven. En dat wil ik natuurlijk niet. Ik wil dat iedereen blij is. Ook katten. Ook katten die mij misschien een beetje vreemd vinden omdat ik lijk op een wandelende antenne met poten. En als mijn nieuwe baasjes vragen hebben over hoe dat moet met katten? Dan staan ze bij DOA natuurlijk klaar om alles uit te leggen. Die weten precies hoe je voorkomt dat een kat denkt dat ik een soort wiebelende, hyperactieve stofzuiger ben.
Kinderen die honden gewend zijn. Oké, ik moet iets bekennen. Iets groots. Iets met veel enthousiasme. Heel veel enthousiasme. Ik vind kinderen GEWELDIG. Echt, ik zie een kind en mijn hele lijf zegt: “JOEPIE! SPELEN! KNUFFELEN! IK BEN JE NIEUWE BESTE VRIEND!” Maar… eh… soms vind ik ze misschien een beetje te leuk. Dan kan ik mijn enthousiasme niet helemaal onder controle houden. En dan zit een ongelukje in een klein hoekje. Niet expres hoor! Maar als je lange windhondenpoten hebt die nog niet helemaal weten hoe remmen werkt… ja, dan kan er wel eens iemand omvallen. Of ik. Of allebei. Gelukkig kunnen mijn nieuwe baasjes mij hierbij helpen. Als zij mij leren hoe ik rustig kan blijven of in ieder geval rustiger dan komt het helemaal goed. Ik ben slim. Ik leer snel. Ik vergeet alleen soms dat ik een pup ben en geen wervelwind met een staart. Maar het is wel belangrijk dat mijn nieuwe baasjes er goed over nadenken. Want een pup heeft veel aandacht nodig. En een kindje ook. En je moet natuurlijk wel genoeg aandacht kunnen geven aan allebei. Want anders wordt het voor niemand leuk. En ik wil dat iedereen blij is. Kinderen, volwassenen, honden, katten (als ik ooit leer wat dat zijn)… iedereen. En als het nou toch niet handig blijkt? Helemaal niet erg. Eerlijkheid werkt het langst. Dan zoeken we gewoon verder naar een plek waar ik wél perfect pas en waar ik mijn enthousiasme veilig kan laten rond stuiteren.
Nog leren. Oké, even serieus. Nou ja… zo serieus als een vijf maanden oude windhond kan zijn. Ik kan best even alleen zijn. Echt waar! Bij mijn pleeggezin kan ik netjes een uurtje alleen blijven in de bench. Dan liggen de andere hondjes ook te dutten, en dan denk ik: “Oké, dit is chill. Ik doe gewoon mee.” En dan ben ik heel braaf. Echt een voorbeeld pup. Nou ja… meestal. Maar in een nieuw huis, met nieuwe baasjes, nieuwe geluiden, nieuwe geuren, nieuwe banken tja, dan moet ik natuurlijk weer even wennen. Want stel je voor dat de koelkast daar anders klinkt. Of dat de buren een deur hebben die BOEM zegt. Of dat de stofzuiger ineens een andere persoonlijkheid heeft. Dan moet ik dat allemaal opnieuw leren. Rustig opbouwen. Stapje voor stapje. Net zoals ik dat bij mijn pleeggezin heb gedaan. En als je dat doet, komt het vast weer helemaal goed. Ik ben slim, ik ben leergierig, en ik ben dol op complimentjes dus dat helpt enorm. Dus ja, ik kan alleen zijn. Maar ik moet wel even de tijd krijgen om te snappen dat mijn nieuwe huis ook veilig is. En dat jullie altijd terugkomen. En dat ik niet hoef te denken dat jullie verdwenen zijn naar een parallel universum waar geen flostouwen bestaan.
Rustige wijk. Oké, even iets over mijn woonsituatie. Ik woon nu in een huisje met een tuin. Een echte tuin! Met gras! Met plek om rondjes te rennen alsof ik meedoe aan een windhonden‑Grand Prix. En het beste: er zijn geen trappen. Geen gekke bochten. Geen hoge treden. Geen lift die ping! Zegt. Want… ik heb dat allemaal nog nooit gezien. Echt niet. Ik weet niet eens hoe een lift eruitziet. Misschien is het een soort magische doos die je naar boven brengt? Misschien is het een soort hondenhuis dat beweegt? Misschien is het gewoon een hele saaie kamer die op en neer gaat? Ik heb geen idee. Maar ik ben niet kieskeurig hoor. Ik hoef niet per se een benedenwoning. Ik hoef niet per se een tuin. Het zou natuurlijk wel fijn zijn want rennen is mijn hobby, mijn talent en mijn levensdoel. Maar ik ben flexibel. Nou ja… mentaal flexibel. Mijn poten zijn soms nog in de knoop, maar dat komt wel goed. Alleen… omdat ik best groot ga worden, is elke dag een trap op en af niet zo fijn voor mijn lijf. Mijn poten zijn lang, mijn lijf is slungelig, en mijn remsysteem is nog in ontwikkeling. Dus als er trappen zijn, dan moet dat wel rustig opgebouwd worden. En als er een lift is? Top! Dan moet ik die nog even leren. Maar dat komt goed. Ik ben slim. En nieuwsgierig. En ik hou van nieuwe dingen zolang ze niet BOEM doen. Dus of het nou een benedenwoning is, een appartement, een huis met tuin of een huis zonder tuin… Als mijn nieuwe baasjes mij helpen, dan komt het helemaal goed. Ik leer snel. En ik ben altijd in voor een nieuw avontuur zelfs als dat avontuur “hoe werkt een lift?” heet.
Ja, Ik vind andere honden super leuk. Echt, als ik er eentje zie, dan begint mijn hele lijf te wiebelen. Mijn staart gaat zwiepen, mijn poten gaan trillen, mijn hersenen roepen: “WE GAAN SPELEN! WE GAAN SPELEN! WE GAAN SPELEN!” Maar… eh… ik moet nog wel leren hoe je met bepaalde honden speelt. Want blijkbaar is het niet de bedoeling dat je een mini hondje begroet door er enthousiast bovenop te springen alsof je een vliegende windhond‑pannenkoek bent. En sommige honden vinden het helemaal niet leuk als ik meteen in sprintmodus ga. Die willen eerst snuffelen. Of rustig kijken. Of gewoon helemaal niet spelen. En dat moet ik nog leren. Ik bedoel het nooit verkeerd hoor. Ik ben gewoon blij. Heel blij. Altijd blij. Maar soms moet ik even geholpen worden om te snappen dat niet elke hond staat te wachten op een Alfie‑orkaan. Dus mijn nieuwe baasjes moeten me daar een beetje in begeleiden. Leren wanneer ik rustig moet blijven. Wanneer ik even moet wachten. Wanneer ik niet moet denken dat elke hond een trampoline is. Maar als ik het eenmaal snap? Dan ben ik de leukste speelmaat die je kunt wensen. Snel, vrolijk, vriendelijk, en altijd klaar voor een potje rennen. Maar dan op een manier die ook leuk is voor de andere hond.
Loopt netjes mee. Ik kan heel netjes aan de riem lopen. Echt waar! Mijn pleeggezin zegt dat ik dat supergoed doe. Ik loop mee, ik wiebel niet alle kanten op, ik houd mijn poten onder controle (meestal), en ik doe mijn best om niet te denken dat de riem een soort slinger is waar je mee kunt zwaaien. Maar… Ja, er is een maar. Een kleine maar. Een pup‑maar. Als er een ander hondje voorbijkomt? Of een geur die ik nog nooit eerder heb geroken? Of een blaadje dat op een spannende manier beweegt? Of een mens die eruitziet alsof hij misschien een koekje heeft? Dan moet ik daar natuurlijk naartoe. Dat is logisch. Dat is pup‑logica. Dat is windhonden‑wetenschap. Mijn neus zegt: “GA!” Mijn poten zeggen: “REN!” En mijn hersenen zeggen: “MISSIE BELANGRIJK!” Maar als dat allemaal niet gebeurt, dan loop ik gewoon heel netjes mee. Echt waar. Dan ben ik een voorbeeldige pup die precies weet hoe het hoort. Dan ben ik bijna volwassen. Nou ja… windhond‑volwassen. Dat is anders dan echt volwassen, maar het telt. Dus ja, ik kan goed aan de riem lopen. Maar soms moet ik even iets checken. Want stel je voor dat ik een belangrijke geur mis. Of een nieuwe hondenvriend. Of een grasspriet die mijn naam fluistert.
Nee, Ik wil loslopen. Echt waar. Het lijkt me GEWELDIG. Stel je voor: De wind door mijn haren. Mijn oren die flapperen alsof ik ga opstijgen. Mijn poten die zo hard gaan dat ik bijna vlieg. Dat gevoel dat je denkt: “WOW, IK BEN SNELLER DAN MIJN EIGEN SCHADUW!” Maar… eh… er is één klein probleempje. Ik weet nog niet zo goed hoe dat moet. Ik weet niet wanneer ik moet terugkomen. Ik weet niet wanneer ik moet stoppen. Ik weet niet wanneer ik moet luisteren. Ik weet eigenlijk alleen: “REN!” Dus ja, daar moet nog even op geoefend worden. Want nu, als ik los zou lopen, zou ik waarschijnlijk denken: “JOEPIE, VRIJHEID!” En dan zou ik gaan. Gewoon gaan. Zonder plan. Zonder rem. Zonder idee waar mijn baasje staat. Maar als mijn nieuwe baasjes met mij gaan oefenen stapje voor stapje, op veilige plekken, met duidelijke afspraken dan komt het helemaal goed. Dan leer ik wanneer ik moet terugkomen. Wanneer ik moet wachten. Wanneer ik niet moet denken dat elke vogel een racepartner is. En als ik dat allemaal kan? Dan word ik de gelukkigste windhond van de wereld. Want loslopen is voor mij alsof je een superheld bent. Alleen dan met lange poten en een flostouw in je mond.